Ontdek alle bijdragen
Zonder titel
Ergens op dit meiveld wacht de wilg in
weelderig habijt temidden van dit
grijs en grimmig land. Soms wiegen en
piepen zijn takken, het einde nabij. Ooit
door storm gespleit. Geen boer meer die hem nu
nog knot voor mutsaard of wat rijshout voor
de erwten. Geen kind buigt uit zijn takken
nog een boog. Weer keert water dóór de wilg
die diep in leemte sporen laat, tot licht.
Wie zweet bij land, beheert het zicht, ver-
kavelt, straks verbleekt voorlopig gras en
zwicht. Ergens op dit paalveld lacht en loopt,
wacht en hoopt, proeft iemand avond. De
grootstad op een boogscheut. Veegt de tijd.
ZIJN OF NIET ZIJN
ZIJN OF NIET ZIJN
Zijn of niet zijn
is als wijn of azijn
als schijn of schone schijn
als fijn of venijn
als rein of pijn
Sinds mensenheugnis wil
één-ieder is ieder-één
per se zichzelf zijn
zonder zich ooit maar
de cruciale vraag te stellen
wat is in de grond
zijn
jezelf zijn
Heb je je ooit al die vraag gesteld
wie ben ik eigenlijk
wat is de werkelijke grond van mijn bestaan
van het bestaan überhaupt hier op aarde
Het antwoord vind je
zeker niet op sociale media
ook niet bij talloze experten
of zomerfestivals
Maak het volledig stil in jezelf
daal af in het diepste van je hart en ziel
en luister naar wat je toegefluisterd wordt
en ontluikt
Zijn of niet zijn
de man en zijn gezel
Elke ochtend, terwijl de klokken van de
basiliek luiden
alsof tijd iets is waar men niet zuinig mee
hoeft te zijn,
loopt de man alsof hij ergens naartoe
moet.
Zijn vierpotige gezel,
die gewoon doet wat hij ’s ochtends moet
doen,
weet al langer dat de wandeling
de bestemming is.
Samen zien ze,
baasje met muziek in de oren,
hond snuffelend aan de restanten van de
zondagsmarkt,
welk huis nieuwe gordijnen kreeg,
wie aankomt,
wie verder gaat.
De man en zijn gezel,
u herkent ze ondertussen wel,
lopen verder,
zoals gisteren,
zoals morgen.
De basiliek ziet het aan.
Een dorp verandert,
maar wie langzaam genoeg wandelt,
merkt dat niets ooit helemaal verdwijnt.
Heilige dans
neerploffend in de rij stoelgekraak deint weg in een hemelse sfeer hoogverheven brandglas schittert licht in mijn ogen afgebeelde heiligen komen tot leven ze dansen als het ware als een uitgebalanceerd meesterwerk terwijl de zon en wolken elkaar ridderlijk omhelzen zijn deze taferelen van rust en troost de voeding voor mijn ziel als een parel voor mijn voeten
De wilg
Zo vol van wilg beschermde
Je onze tuin
Zo open groot als een parasol
Vol mezen, eksters en duiven,
Te zitten, te paren, te ruiven…
Immens werd je nu
Reikend tot bij de buren
Zo sterk en oud
Zo hoog van hout
Tijd om je bij te sturen.
Toen werd je gesnoeid,
Gekapt in je takken
Toen viel je uiteen
Het gebladerde zakte
Oh reus van een boom
Je bent nu een dwergje
Maar je zal nog herleven,
Al is het in ‘t klein
Grimbergen
Ter Bronne
Ter Bronne
De Bron ontsprong in het hart van Strombeek
Senioren waren er zeer welkom
De Bron had een aan trekkingskracht
Voor jong en oud
De Bron bracht mensen samen
Zette mensen aan de gang
De Bron zwierde haar deuren open
Dit najaar nog 34 activiteiten te gaan
De Bron kreeg slecht nieuws
Senioren moesten snel, snel, snel verhuizen
En wat met de ontmoetingsruimte?
2028: De Bron is op een ander spoor gezet
Er huist nu Het Vlaams Woonanker en Matexi
Met uitzicht op speelplein en veel groen
Opzij senioren jullie tijd is voorbij
De senioren zijn nu verstopt in de tentoonstellingsruimte
Met een spot op hunne kop en met uitzicht op stenen
En de Bron dan ? De Bron is drooggelegd
Ach zo
Grimbergen
Ik voel je niet
Het knarst en knaagt tussen ons
De wrevel groot
Ik verlaat je weldra
Zonder afscheid, ik kijk niet om
Andere horizonten
Vrijheid natuur
Ik zoek en zoek
Ik aarzel en twijfel
Ik vind maar altijd zonder overtuiging
Zou ik je toch missen
De wegen in mijn hoofd geprint
Mensen reeds geoefend in terugknikken
Bus naar zowat overal
In film en boek verdwalen
Sprookjesbos en zijn kasteel
Kanaal en bruggen naar weer andere mensen en huizen en velden en kansen
Het geluid van het op en neer gaan van het vliegmachien
Zeg me blijf ik of moet ik gaan.
Hondenleven
Facebook in de hondenwei
Liefje was hier, ik ben blij.
Zwaar gegrom, een concurrent
Ook blaffen op een struise vent.
Kakje gedaan,
Baasje content.
Zeppelin
Ik heb het nog gekend, reclame met een ballon.
Ik moet er plots aan denken,
Na ‘t zien van een sigaar aan de Grimbergse horizon.
Mijn Opa zag dat oorlogstuig liever niet verschijnen
Het geeft een raar gevoel.
Mijn kleinkind is nu oud en kijkt naar foto’s van een drone.
‘Dat heb ik vroeger nog gehad, totdat het werd verboden.’
Oorlogstuig hoort niet thuis in dorpen waar ik woon.
Het geeft een raar gevoel.
Vluchten kan niet meer
Vluchten kan niet meer
De vluchtelingen,
Burundezen, Rwandezen, Angolezen, Guinezen, Iranezen en Georgiers,
Kosovaren, Kasakstanezen en Nicaraguanen
Syriërs en , Afghanen en Oekrainers. Russen ? Neen geen Russen
Gevlucht voor oorlogsgeweld naar een ander land
Waar ze werkten aan een nieuw bestaan
Met vallen en terug op te staan
Ondersteund door een groep mensen al 37 jaar lang
Die luisterden naar hun verhaal
Maar ook vele andere instanties hielpen een handje mee
Wat deden ze goed hun best
Nederlands leren en integreren!
Kinderen studeerden en behaalden een diploma
Nu zovele jaren later…
Hebben de kinderen zelf kinderen
Ouders zijn grootouders geworden en
Is hun thuisland hun vakantieland waar ouders zijn achtergebleven
Beiden hebben nu vrede !
De vloedlijn
Kuierend langs de vloedlijn
Geprikkeld door de warme lentezon
Voel ik me vrij en blij
Golfjes rollen over en aan
Langs de stappen die wij gaan
Meeuwkes, trippelen hun pasjes
Over de plasjes en golfjes,
Vliegen dan op boven de zee
Ze volgen hun vlucht
Dat zien we benee
Hoe zou het voelen
Om te vliegen,
Hoog en cirkelend in het rond,
Vleugels spreiden en richting geven
Pijlsnel schieten naar een doel
Naar eeuwige vrijheid
Nieuwe einden tegemoet
ik zie ze vliegen
Vliegtuigen brommen boven onze kop.
Dag en nacht het houdt niet op.
Waar naartoe, voor wie, waarom?
Ik zou ’t niet weten, ik pieker me dom.
Voor mijn part, daar kan je op aan
Wens ik die tuigen naar de maan!
Voorgoed verdwenen?
Het fietspad naar jou, dat plots niet meer is.
Hoeveel lijnen kunnen verdwijnen
voor het geen fietspad meer is?
Er zit wat mis.
Vinger aan de pols, luister naar de straat
om te polsen hoe het met ons gaat.
Ik zoek een boom, liefst meer dan een,
waaronder ik jou kan begroeten.
Zoiets als een park, een gezellige plek
Waar mensen elkaar ontmoeten.
Hoeveel parken kan je bebouwen
voor de gemeenschap verdwijnt?
Ik wil kunnen kiezen voor schaduw
als de zon schijnt.
Er zit wat mis.
Hoeveel dagen kunnen voorbijgaan
zonder dat ik jou mis?
Twee haiku's
Water borrelt luid
De bron helaas droog en dood
hart stil voor altijd.
Het park van der nood
Een deugd met getater en
Alle tinten groen.
Triumph Bonneville
Wanneer de ochtendmist nog over velden zweeft,
en ’t eerste licht de stille wereld kleurt,
dan is er iets dat diep in mij weer leeft,
een oude droom die nooit is uitgebeurd.
Ik draai de sleutel — en de stilte wijkt,
een lage roffel vult de ochtendstraat.
De motor spreekt, zoals geen mens dat lijkt,
een taal die rechtstreeks naar het hart toe gaat.
De chroom glanst zacht, de tank vangt gouden schijn,
de spaken zingen mee met elke bocht.
Geen haast vandaag, ik hoef nergens te zijn,
alleen de weg, die mij naar buiten lokt.
De wind vertelt verhalen van weleer,
van Engelse wegen, regen, gras en steen.
En elke kilometer brengt mij weer
een stukje vrijheid dat ik was vergeten.
Mijn Triumph Bonneville, mijn trouwe vriend,
jij draagt geen haast, geen mode en geen schijn.
Jij bent de droom die mij nog steeds bedient,
een beetje jeugd, gevangen in chroom en lijn.
En als de avond langzaam nederdaalt,
en ’t laatste licht verdwijnt achter de bomen,
dan weet ik dat de weg opnieuw vertaalt
wat motorrijders altijd hebben gedroomd.
Want zolang jij nog één keer starten wilt,
en ik de horizon nog tegemoet kan gaan,
blijft in mijn hart de oude vrijheid stil
maar onverwoestbaar naast mij staan.
Ruïne
Eens had ik nog kamers en zalen
met goudleer behangen. Veel van mijn
broers werden gefolterd, tenslotte
gedood, zullen nooit meer herrijzen.
Van mijn lichaam rest enkel nog een skelet.
Geplukt of gestroopt werd ik, als
vette ganzen, in mijn blootje gezet,
van al mijn schatten beroofd. Slechts
enkele kalkstenen beelden, naakter dan ooit,
magische antwoorden op feesten tussen
marmer en arduin, in zalen met komforen
en stenen estrades. Nog niet bewust van
verval door de tijd. Er rest enkel een puzzel
van teksten teveel met de voeten gelezen.
Handwerk
Breien, breien
Steek voor steek
Rechts en rechts en traag
Priem na priem
Tel ik de steken
Poncho raakt niet klaar
Ik zucht en zit daar
Echt te tellen
82 steken
Tachtig centimeter lang…
Mijn bol van wol
Wordt echt een kluwen
Echt ontwarren kan niet meer
! PLOTS !
Besef ik: maak een keuze…
Breien is je ding niet meer
De stokjes van het haken
Brengen hier verandering
Dubbel over vasten en de lus
Onderdoor steek je je haakpen
Van de juf krijg ik een kus…
Formidabel,
Werkijver
Wol van bol en
Pen van haak worden echt de hoofdzaak
MENSwAARDE
MENSWAARDE
Mensen toch:
Wanneer worden wij eindelijk wakker, één-ieder en als samenleving?
Wakker uit onze illusie van macht, geldgewin, af-leiding, ongebreidelde consumptiehonger, geluksdrang ten allen prijze.
En uit onze pietluttige ikkigheid?
Wakker uit onze illusie van beheersing van natuur, aarde, en elkaar.
Terwijl we nauwelijks in staat zijn om onze eigen kleinmenselijke driften, gevoelens, gedachten en vastgeroeste en belemmerende overtuigingen te beheersen en kanaliseren.
Mensen toch:
Waar zijn we – en zeker niet “in godsnaam” – mee bezig?
Vergeleken bij het onmetelijke, het onvatbare, het betoverende, het oneindig schone van ons heelal, onze melkweg, ons lichaam ook, zijn we amper – en in ’t merendeel van de tijd – prutsende zandkorrels.
Wij zijn enkel maar omdat de aarde is, moeder aarde is!
De natuur en de aarde hebben de mens niet nodig.
Dit terwijl de mens enkel maar van de natuur en van de aarde leeft,
dankzij haar, en al te vaak ten koste van haar.
Mensen toch:
Wanneer gaan we eindelijk ‘ns met z’n allen aarden?
Waarde kan niet zonder aarde, toch?
Laten we derhalve met z’n allen onze aarde, onze menswaarde,
Koesteren, omarmen, knuffelen en teder omhelzen.
Laten we opnieuw en opnieuw onvoorwaardelijk lief zijn voor onze aarde, onze menswaarde, en voor elkaar.
Laten we opnieuw en opnieuw aarde worden, mens worden,
mens zijn, aarde zijn!
Dan pas leven wij menswaardig, toch?
Dan pas ontdekken wij onze werkelijke ge-aard-heid,
en worden wij, zijn wij geheeld, heel, toch?
En nooit meer alleen,
integendeel, en goddank, één met het al!
Mensen toch:
Wanneer ontwaken wij eindelijk uit onze hoogmoed,
uit onze waan-zin van de alwetende wetenschap?
Meer nederigheid, dankbaarheid en ontroering zouden ons sieren, toch?
Immers, wetenschap is ook maar een schapje van het weten.
Laten we daarom ontwaken uit onze naïeviteit dat meten weten is – wat weten we dan eigenlijk?
En laten we stoppen met voortdurend te kloppen op de nagel van het eigen grote gelijk.
Laten we – eens en voorgoed – de omslag maken van...
oordelen naar luisterdelen.
En laten we vanuit onze zo gehypte mindfulness het pad van de mindemptyness inslaan en bewandelen, waar hoofd, hart, lichaam en ziel harmonieus op elkaar afgestemd zijn.
Immers, “wij zijn geen menselijke wezens die het spirituele ervaren, wij zijn spirituele wezens die het menselijke ervaren”. (Frans christelijk mysticus, palentoloog en auteur Pierre Teilhard de Chardin)
En wat zei Sándor Weöres, Hongaars dichter, schrijver en homo universalis?
“Om een echt mens te zijn, de essentie van wie je bent, kantel naar binnen, verken je diepste diepten en transillumineer jezelf, en straal dan je innerlijk licht uit en af op al diegenen rondom jou en je omgeving”.
The name of our game?
MENSWAARDE
Mensen toch:
Wanneer worden wij eindelijk wakker, één-ieder en als samenleving?
Wakker uit onze illusie van macht, geldgewin, af-leiding, ongebreidelde consumptiehonger, geluksdrang ten allen prijze.
En uit onze pietluttige ikkigheid?
Wakker uit onze illusie van beheersing van natuur, aarde, en elkaar.
Terwijl we nauwelijks in staat zijn om onze eigen kleinmenselijke driften, gevoelens, gedachten en vastgeroeste en belemmerende overtuigingen te beheersen en kanaliseren.
Mensen toch:
Waar zijn we – en zeker niet “in godsnaam” – mee bezig?
Vergeleken bij het onmetelijke, het onvatbare, het betoverende, het oneindig schone van ons heelal, onze melkweg, ons lichaam ook, zijn we amper – en in ’t merendeel van de tijd – prutsende zandkorrels.
Wij zijn enkel maar omdat de aarde is, moeder aarde is!
De natuur en de aarde hebben de mens niet nodig.
Dit terwijl de mens enkel maar van de natuur en van de aarde leeft,
dankzij haar, en al te vaak ten koste van haar.
Mensen toch:
Wanneer gaan we eindelijk ‘ns met z’n allen aarden?
Waarde kan niet zonder aarde, toch?
Laten we derhalve met z’n allen onze aarde, onze menswaarde,
Koesteren, omarmen, knuffelen en teder omhelzen.
Laten we opnieuw en opnieuw onvoorwaardelijk lief zijn voor onze aarde, onze menswaarde, en voor elkaar.
Laten we opnieuw en opnieuw aarde worden, mens worden,
mens zijn, aarde zijn!
Dan pas leven wij menswaardig, toch?
Dan pas ontdekken wij onze werkelijke ge-aard-heid,
en worden wij, zijn wij geheeld, heel, toch?
En nooit meer alleen,
integendeel, en goddank, één met het al!
Mensen toch:
Wanneer ontwaken wij eindelijk uit onze hoogmoed,
uit onze waan-zin van de alwetende wetenschap?
Meer nederigheid, dankbaarheid en ontroering zouden ons sieren, toch?
Immers, wetenschap is ook maar een schapje van het weten.
Laten we daarom ontwaken uit onze naïeviteit dat meten weten is – wat weten we dan eigenlijk?
En laten we stoppen met voortdurend te kloppen op de nagel van het eigen grote gelijk.
Laten we – eens en voorgoed – de omslag maken van...
oordelen naar luisterdelen.
En laten we vanuit onze zo gehypte mindfulness het pad van de mindemptyness inslaan en bewandelen, waar hoofd, hart, lichaam en ziel harmonieus op elkaar afgestemd zijn.
Immers, “wij zijn geen menselijke wezens die het spirituele ervaren, wij zijn spirituele wezens die het menselijke ervaren”. (Frans christelijk mysticus, palentoloog en auteur Pierre Teilhard de Chardin)
En wat zei Sándor Weöres, Hongaars dichter, schrijver en homo universalis?
“Om een echt mens te zijn, de essentie van wie je bent, kantel naar binnen, verken je diepste diepten en transillumineer jezelf, en straal dan je innerlijk licht uit en af op al diegenen rondom jou en je omgeving”.
The name of our game?
Beeld van Porselein
Onder katoenen, warme dekens
aan de basis, een structuur van staal?
Uitgerust met nagels, afbreekbaar
verpakt in een plastic zip-up zakje
zielenpoot tot en met
5 december 12:48, Portugese tijd
Als we er dan zijn
Dan
Achteraf laten we de versiering vallen
tot de basis weer duidelijk zichtbaar is
Als een lichaam zonder zijn elementen
naakt op een bed gelegen
de gouden zonnerand op de achtergrond
Een skelet zichtbaar ook als je
er van op
een afstand naar staart
Doorboorde schedel en vel doorzichtig
Elastische banden die de hoop versterken
Beveiligen de breekbare delen
Drooggehuilde ogen, ze kende nooit iets anders
Ze zijn niet langer op zoek naar
Je mededogen
Ze boren door je afgebakende ziel
Ze zoeken je skelet
vanop die afstand gecreëerd door
meters
Ze vinden je niet meer
